Europese bedrijven waar het risico bestaat dat er explosies kunnen optreden, moeten voldoen aan Europese richtlijnen met betrekking tot explosiegevaar.
Deze regelgeving staat bekend onder de naam ATEX, dit staat voor ATmosphères EXplosibles en het betreft met name de ATEX 153-richtlijn en de ATEX 114-richtlijn. Dit artikel zal ingaan op:
- De regelgeving rondom explosieve situaties
- Het voorkomen van explosies
- De twee belangrijkste ATEX richtlijnen
De experts van Dinnissen Process Technology staan klaar voor al uw vragen:
Neem contact op met Juul Jenneskens 077 467 3555
Regelgeving rondom explosieve situaties
In veel bedrijven, groot of klein, bestaat het risico op explosies. In eerste instantie lijkt explosiegevaar met name te gelden voor de procesindustrie en de chemie maar dat beeld is niet correct. Explosies kunnen bijvoorbeeld ook optreden bij bakkerijen, bij water- en zuiveringsinstallaties of bij bedrijven in de verpakkingsindustrie. Ook in stofwolken kunnen explosies optreden. Dus zelfs de food- en feed industrie behoren tot de voorbeelden van bedrijven waar er explosiegevaar heerst.
Binnen alle Europese bedrijven waar er kans op explosies is, moet er gewerkt worden volgens de ATEX 153-richtlijn. Ook voor fabrikanten die producten, machines of apparaten op de markt brengen die worden toegepast in een omgeving waar explosies kunnen ontstaan, is het verplicht om volgens de ATEX te werken, in dit geval de ATEX 114-richtlijn.
Een explosieve situatie kan ontstaan door een snel ontvlambaar gas, damp en nevel maar kan ook optreden in een stofwolk. In Nederland zijn deze regels ondergebracht in de ARBO wet- en regelgeving. Voor gasexplosiegevaar geldt er de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 7910-1 “Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – deel 1: Gasexplosiegevaar”. Op analoge wijze geldt voor stofexplosiegevaar de NPR 7910-2 richtlijn “Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – deel 2: Stofexplosiegevaar”.
Gekoppeld aan deze twee richtlijnen zijn er Nederlandse normen die de explosieve atmosferen classificeren voor respectievelijk gasexplosiegevaar (NEN-EN-IEC 60079-10-1) en voor stofexplosiegevaar (NEN-EN-IEC 60079-10-2).

Menger met ATEX
Het voorkomen van explosies
Een explosie, ook wel een ontploffing genoemd, is per definitie de vergroting van het volume van een hoeveelheid materie in een zeer kort tijdsbestek. Voor een explosie is in ieder geval een hoeveelheid gas, damp, nevel of stof nodig die vermengd wordt met lucht, beter gezegd met zuurstof. Het op gang brengen van een explosie kan gebeuren via een ontsteking maar kan via een hoge temperatuur of een plotselinge drukstoot op het mengsel.
Als het een gasexplosie of een stofexplosie betreft, is er meestal sprake van een hele snelle en heftige verbranding. Bij die verbranding wordt in korte tijd een grote hoeveelheid heet gas geproduceerd.
De tijdens de explosie vrijkomende energie kan veel schade berokkenen. Vrijwel altijd ontstaat er een hoge temperatuur en komen er gassen vrij. Tevens worden schokgolven veroorzaakt die op verre afstand te horen zijn.
Explosies kunnen zeer veel schade aanrichten. Ze kunnen dodelijke letsels en zwaargewonden veroorzaken en tevens kan er ook grote materiële schade ontstaan. Het is dus van groot belang om de oorzaken van een mogelijke explosie zoveel mogelijk te elimineren. Er zijn drie principes die hiervoor ingezet worden:
- Voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer door er voor te zorgen dat er geen brandbare stoffen en/of zuurstof aanwezig is.
- Uitschakelen van mogelijke ontstekingsbronnen, bijvoorbeeld via afscherming en aarding.
- Het gecontroleerd toelaten van de explosie en de gevolgen van de explosie beperken via een explosiebestendige constructie, bijvoorbeeld via vlamdovers, drukplaten of overdrukventielen.
Het eerste principe is vaak niet toepasbaar omdat voor productie nu eenmaal vaak brandbare stoffen ingezet moeten worden, bijvoorbeeld als grondstof voor het eindproduct of voor het verwarmen van het proces. In een omgeving waar mensen werken is het verder niet praktisch de zuurstof weg te halen. De meest eenvoudige en meest praktische oplossing om explosiegevaar te verminderen is het elimineren van de mogelijke ontstekings-bronnen.

ATEX logo
voor productie moeten nu eenmaal vaak brandbare stoffen ingezet worden, bijvoorbeeld als grondstof voor het eindproduct of voor het verwarmen van het proces
De twee belangrijkste ATEX richtlijnen
Op plaatsen waar gas- of stofexplosies kunnen optreden moeten alle elektrische en niet-elektrische apparaten en beveiligingssystemen voldoen aan de Europese richtlijn ATEX 114. In Nederland is deze richtlijn ondergebracht in het Warenwetbesluit Explosieveilig materieel. De apparatuur die aan deze richtlijnen voldoet, moet voorzien zijn van onderstaand zeshoekig logo. De leverancier ervan dient tevens een CE-product-markering bij het apparaat te kunnen afgeven.
Werkgevers zijn volgens de ATEX 153-richtlijn verplicht een veilige en gezonde werkomgeving te creëren voor werknemers die gevaar kunnen lopen door gas- en/of stofexplosies. In Nederland staan de hiervoor geldende regels beschreven in de ARBO-wet en de bijhorende regelgeving.
Indien een gebied binnen het bedrijf explosiegevaarlijk is, dient dat op duidelijke zichtbare plaatsen via onderstaande waarschuwingsdriehoeken te worden aangegeven.
genoemd, bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
- Een indeling van de gevarenzones op basis van frequentie en duur,
- De identificatie en de beoordeling van de explosierisico's,
- Een plan van maatregelen om tot een veilige werkomgeving te komen.
Het eerste opgesomde onderdeel van de EPD betreft een indeling van de gevarenzones. Wanneer een gebied binnen het bedrijf tot een van de explosiegevaarlijke zones behoort, dan moet het apparaat volgende de richtlijn ATEX 114 goedgekeurd zijn.
De gevarenzones zijn als volgt gedefinieerd:
- zone 0: er is voortdurend of gedurende meer dan 10% van de bedrijfsduur van een
installatie een explosief gasmengsel aanwezig.
- zone 1: er is grote kans op aanwezigheid van een explosief gasmengsel onder normaal bedrijf (tussen 0,1% en 10% van de bedrijfsduur van een installatie)
- zone 2: er is geringe kans op aanwezigheid van een explosief gasmengsel en slechts
gedurende korte tijd (minder dan 0,1% van de bedrijfsduur van een installatie)
- zone 20: er is voortdurend of gedurende meer dan 10% van de bedrijfsduur van een installatie een explosiegevaarlijke stofwolk aanwezig
- zone 21: er is grote kans op aanwezigheid van een explosiegevaarlijke stofwolk onder normaal bedrijf (tussen 0,1% en 10% van de bedrijfsduur van een installatie)
- zone 22: er is geringe kans op aanwezigheid van een explosiegevaarlijke stofwolk en slechts gedurende korte tijd (minder dan 0,1% van de bedrijfsduur van een installatie)

Naam: Han Joosten
Expert op het vlak van hygienische proceslijnen
Neem gerust contact op als u vragen heeft over dit onderwerp. Samen met mijn collega's sta ik klaar om u te helpen!
Neem contact op met Han Joosten 0774673555 [email protected]
Liever direct een adviesgesprek aanvragen?